
‘Sigaret’ is een kort reisverhaal dat begint in de vertrekhal van Schiphol. Dwalen tussen reizigers, een cappuccino, een toevallige ontmoeting en een klein verzoek dat groter blijkt dan het lijkt. Over verleiding, herinneringen en de vraag wie we zijn onderweg. Een sfeervolle, prikkelende snapshot die je blik op wachten en vertrekken nét anders maakt, met een verrassend einde.
Dwalen. Ja, dat is het goede woord denk ik. Ik hou er van om te dwalen door de vertrekhal van Schiphol. Op zoek naar wat vertier en nieuwsgierig naar mijn medereizigers. Het herinnert me aan de vogels die op een zomeravond voorbij vliegen, wie zijn ze? Waar komen ze vandaan? Waar gaan ze naar toe?
Ik checkte zoals altijd mijn tijdelijke territorium en zocht naar een vergeten plek tussen de massa. Voorzichtig ging ik zitten in een hoekje. Onder het genot van een cappuccino keek ik naar alle reizigers die voorbij trokken. Onopvallend. Een Indisch gezin met zes jonge kinderen kwam snaterend voorbij. De man zag er traditioneel uit met witte tulband. De moeder, met rode stip op het voorhoofd, volgde op gepaste afstand. De kinderen vochten om aandacht van hun vader en lieten een bijzonder geluidsspoor na. Ik glimlachte en keek ze na totdat ze om de hoek naar gate G verdwenen waren. Ik zuchtte, keek op mijn horloge en draaide mijn hoofd naar links.
Hij zat voorover op één van de standaard stoelen langs het raam. Hij tapte ritmisch met zijn rechtervoet op de grond. Een stevige Antiliaanse man die waarschijnlijk op weg was naar één van de eilanden schatte ik zo in. Hij leek niet te kunnen stilzitten en mopperde.
‘Kònòmèr’, zei hij naar niemand.
Ik grijnsde. Nu wist ik het zeker, naar één van de Caribische eilanden dus. Hij keek een keer naar links en rechts alsof hij over ging steken en greep naar iets in zijn rugtas. Hij haalde langzaam een tasje van Liquor & Tobacco tevoorschijn en toverde er een pakje Drum uit. Nieuwsgierig keek ik naar hem. Langzaam pakte hij een met zijn linkerhand een pakje Mascotte vloeitjes en schoof er met zijn rechterhand een pluk shag in. Interessant. Ik schoof wat meer naar de punt van mijn stoeltje en wachtte nieuwsgierig af. Hij rolde zijn shaggie, likte er langs en keek er bewonderend naar. Het was de blik van een verslaafde. Hij rook er vervolgens aan en sloot zijn ogen voor een paar seconde. Hij ademde diep in en schoof vervolgens de peuk tussen zijn lippen. Even keek hij doelloos naar buiten en rommelde wat in zijn zakken. Ging hij zijn shaki nu aansteken? Hij pakte langzaam zijn aansteker en keek er wat verdwaasd naar alsof iemand anders het ding in zijn hand gelegd had. Toen schudde hij zijn hoofd, liet de aansteker weer in zijn zak glijden en stopte de peuk daarna achter zijn rechteroor. Al zuchtend schoof hij wat onderuit en sloot zijn ogen. Fascinerend. Verslavingen.
Rij 13 D, wie had dit bedacht? Ik schoof mijn koffer in het bagagevak, legde mijn rugtas onder mijn stoel, zakte in mijn stoel en klikte mijn riem vast. Ik blies wat lucht door mijn lippen en groette mijn buurvrouw.
‘Gelukkig geen vertraging’, zei ik en probeerde aardig te doen. Ze riep wat in een onbekende taal en ik vond het prima. Dat werden tijdens de reis gelukkig geen verplichte sociale gesprekken. Het personeel begon de ronde te doen. De stewardess glimlachte professioneel naar mij en liep door het gangpad verder naar achteren.
Bij de deur aan het uiteinde van de sluis, voorin de cabine, ontstond wat rumoer. Mensen keken nieuwsgierig. Hoofden die zicht uitrekten om het beter te kunnen zien. Langnekken, noemde ik ze. Met veel bombarie kwam tot mijn verrassing mijn sigaretten man de hoek om zeilen. Druk in discussie met een steward en mopperend op iedereen. Zijn peuk had hij tussen zijn lippen geklemd en achter zijn rechter oor stak nog een sigaret. Tot mijn verrassing nestelde hij zich druk gebarend in de stoel naast mij op 13 C aan de andere kant van het gangpad. Ik draaide mijn hoofd naar links en keek hoe hij van alles riep naar zijn buurman aan de andere kant. Hij draaide zich plotseling om en keek me nijdig aan
‘Kònomèr, semper nan ta hasi difísil!’, zei hij.
‘Sorry, perdona, mi no ta papia Papiamentu bon. Spreekt het echt niet goed’, zei ik terug.
Hij keek me een ogenblik aan en maakte een wegwerp gebaar.
‘He man, is goed man’, antwoordde hij, ‘je probeert het, toch? Je probeert het.’
‘Kloten of niet? Kan niet meer roken hier.’ zei ik tegen hem. Ik probeerde ondertussen in te schatten hoe oud hij was. Waarschijnlijk stamde hij nog uit de tijd dat er nog een rokersgedeelte in het vliegtuig was. Een rokersdeel dat afgeschermd werd met een gordijntje die ze dan voor de sier dicht trokken. Dat hielp uiteraard geen reet en dat wist ook iedereen. En als je precies op de grens zat was je de hele reis stoned van de lucht. Op het moment dat je arriveerde op je bestemming stonk je als een gerookte vis.
‘Ja, ja, ze willen me shaggies afpakken, kabrónnan’, zei hij, fronste zijn wenkbrauwen en tikte daarbij op zijn voorhoofd.
Hij mopperde nog wat en ik maakte eruit op dat hij een slaappil had genomen. Dat bleek te kloppen want voordat het vliegende gevaarte opsteeg richting het eiland van de zon lag hij al snurkend in een coma.
De dame achter het glas keek mij aan, bladerde door mijn paspoort en vroeg wat ik kwam doen.
‘Euh, werk en vakantie’, zei ik
Haar donkere ogen keken mij over de ijzeren bril een paar seconden aan en met een klap zette ze er een stempel bij in.
‘Volgende!’, riep ze en ik maakte eruit op dat het prima was. Ik trok mijn rolkoffer mee en gooide mijn rugtas over mijn rechterschouder. Stijf van het lange zitten vervolgde ik wat waggelend mijn weg door de gangen en langs de laatste controle. De man achter de stilstaande machine keek mij een ogenblik aan en wenkte dat ik door kan lopen.
Ik sloeg linksaf de laatste deur de aankomst hal van Hato binnen. Ik snoof de warme lucht op. Typisch. Nieuwsgierig keek ik naar de nieuwe auto die als reclameobject in de open hal was neer gezet. De Caribische hitte kwam mij als een welkome wind tegemoet. Heerlijk. Ik keek om me heen en zag veel vrolijke gezichten. Wat was dit toch een fantastisch eiland. Ik vervolgde mijn weg naar buiten. De witte Chevrolet zou er zoals altijd vast staan op de parkeerplaats. Net buiten de hal sloeg ik rechts af en liep de stoep op langs de ophaalplek waar de taxi’s stonden en de chauffeur’s die de langslopende vrouwen zaten te bewonderen. Ik botste tegen een man op de plotseling stil stond en zat te rommelen in zijn tas.
‘Sorry’, zei ik en ik keek in de ogen van de man die de laatste uren van zijn reis met een sigaret tussen zijn tanden gezeten had. Mijn tijdelijke buurman.
‘Oh, je bent er. Je kunt hem uiteindelijk opsteken, wat een reis, of niet man?’, zei ik vervolgens.
Hij keek me aan alsof ik niet goed wijs was. Hij grijnsde zijn tanden bloot en ik zag dat hij één van zijn voortanden miste.
‘Bon tardi homber’, grijnsde hij, waarschijnlijk opgelucht dat hij de reis overleefd had en zijn behoefte aan nicotine kon bij werken.
‘De fik erin’, zei ik
‘Nee man, ik rook niet’, zei hij en hij keek mij aan met een blik alsof ik hem de meest domme vraag had gesteld. Mijn mond stond open en ik staarde hem aan alsof ik het vanuit Curacao in Keulen hoorde donderen.
‘Wat?’
‘Nee man, al 20 jaar niet meer gedaan. Mijn vrouw maakt me dood als ik weer ga roken’, vervolgde hij en bulderde van het lachen. Hij pakte de tas met de shag en gooide het in de prullenbak die aan de muur hing. Hij pulkte de peuk tussen zijn tanden vandaan en gooide die ook weg. Hij greep achter zijn rechteroor en stak voor hem weer verse peuk tussen zijn tanden. Hij maakte aanstalten om verder te lopen.
‘Wacht eens’, riep ik.
‘Waarom de shaggies?’, ik wilde verdorie een antwoord.
Hij draaide zich om en lachte zijn tanden weer bloot waarbij het gapende gat mij aanstaarde.
‘Doe dat voor de vrouwtjes. Beter shag dan de tandarts homber’, hij grijnsde.
‘Is stoer hè. Vrouwtjes houden van mij.’ En hij maakte een beweging met zijn handen en heupen die niets te raden overliet. Hij lachte om mijn verbijsterde blik, stak de sigaret precies door het gat in zijn voortanden, draaide zich om en liep verder.
Ja, ‘Sigaret’ maakt deel uit van JeVakantie.nl reisverhalen geschreven door John L. Mountain. We koppelen dit verhaal aan nieuwe Nederland, Curaçao- en Schiphol-stukken zodra die live staan.
Ongeveer 6–8 minuten (±1.600 woorden), afhankelijk van je leessnelheid.
Het verhaal start in de vertrekhal van Schiphol en eindigt op Curaçao (Hato). Onderweg draait het om ontmoeting, verleiding en herinnering.