
Tijdens een ogenschijnlijk gewone werkdag aan de rand van het Kruger Park loopt alles anders dan gepland. Vast in het zand, zonder water en met de hitte die toeslaat, wordt duidelijk hoe dun de lijn is tussen controle en overgave. Een intens reisverhaal over Afrika, instinct, verbeelding en respect voor de natuur.
Peinzend keek ik in de grote bruine ogen met de lange wimpers. Ze wiegde langzaam met haar hoofd heen en weer en keek mij aan met een verwonderde blik. Wie gelooft niet in liefde op het eerste gezicht? Ze kwam langzaam, maar nieuwsgierig naar mij toe. Op een meter afstand bleef zij mij aanstaren. Ik staarde gehypnotiseerd terug. Dromerige ogen waarin je kon verdrinken. Tijdloos. Ik rukte me met moeite los uit haar blik en schoot met de vaart van een bliksemschicht weer naar de realiteit. De hitte van de plek sloeg als een hamer tegen mij aan. Het zand was nu volledig opgewarmd door de felle zon. Terwijl ik me losrukte van haar blik, dook ik voor de zekerheid achter de auto. Vastzitten in het mulle zand met een pick-up truck is geen goed idee.
De twee meter lange gevlekte nek van het dier verplaatste zich langzaam en behoedzaam weer naar boven. Ze knabbelde wat aan de bladeren van een acacia. Even was ik interessant geweest, maar de gewoonten en instincten namen het snel weer over. Ik keek naar de gespierde achterbenen van het beest die bijna majestueus en arrogant voorbij schreed.
Voorzichtig stond ik op en keek snel om me heen. Meestal liepen ze in een kudde en het zou lullig zijn om platgewalst te worden in dit stukje afgelegen Afrika. Zo had ik mijn dood niet voorgesteld. In de verte zag ik een stofwolk en een stuk of acht volwassen giraffen met hun jongen scharrelen over de vlakte achter de bomenrij. Oké.
‘Pff, laten we verder gaan’, zei ik tegen Dennis.
Hij grijnsde, maar keek toch bezorgd. Ik snapte het. Deze langnekken waren wel het minste van onze problemen op dit moment. Hoewel ze gevaarlijk konden trappen als ze in nood zaten of hun jongen wilden beschermen, kwam ik ze liever tegen dan een olifant, neushoorn of een ontsnapte leeuw.
‘Moenie jaag nie. Dink eers!’ zei Dennis
‘Niet haasten? Eerst denken?’ zei ik.
‘Ja, ja. Als jij dat nu ook eens deed. Niet haasten. Eerst denken. Zou fijn zijn.’
Hij negeerde mijn opmerking.
‘Ek probeer hier met my kaal hande die sand by hierdie wiel wegkry, man! Doen jy dit aan jou kant’, zei Dennis tegen mij.
‘Dat hebben we net ook al geprobeerd. Ben er wel klaar mee. We moeten wat anders verzinnen’ zei ik.
‘Nee. Gaan voort. Ek is die baas hier’
Een moment was ik besluiteloos. Ik schudde mijn hoofd en bedacht mij wie mij betaalde. Ja, maar niet om uit te drogen of opgevreten worden in één of ander reservaat.
Ik liet mij toch maar op mijn knieën zakken om bij het wiel te komen. Het zweet liep van mijn voorhoofd via mijn wenkbrauwen naar beneden. Nu halverwege de ochtend begon de temperatuur een dubieuze en gevaarlijke rol te spelen merkte ik. Ik voelde mij zwak, had wat hoofdpijn en was af en toe duizelig. Leek niet helemaal helder meer te zijn. Mijn tong plakte wat aan mijn gehemelte en ik slikte wat moeizaam. Fuck. Ik mopperde, straks was Dennis aan het uitdrogen en kon hij nog wel de juiste beslissingen nemen? Hij was prikkelbaar en zijn besef van gevaar leek verdwenen.
‘Moenie jaag nie. De gek’ mopperde ik voorzichtig.
We waren al uren bezig.
‘Dink eers.’ Nadenken was niet zijn sterke kant, hij moest het hebben van zijn brute kracht normaal gesproken. Ik moest alert zijn of hij niet ging hallucineren, dan moest ik het voortouw nemen.
Waarom hadden we nu ook alweer geen enkel gereedschap bij ons? Geen portofoons. Geen water. Het was toch een routineklus vandaag? Wat waren we voor sukkels om alles achter te laten in de loods? We hadden op het laatste moment gewisseld van pick-up truck om maar niet te hoeven tanken. Hij had daar geen zin in gehad.
Hoofdschuddend krapte ik met mijn vingers door het mulle zand en vervloekte mijzelf door mijn lakse houding. Ik had mijn eigen pad moeten kiezen. Het wiel leek steeds dieper in het gele zand te zakken naarmate onze inspanningen groter werden. Ik leek wel een wrattenzwijn. Juist die waren de reden dat we aan het controleren waren langs de vele hekken. Ze wilden nog wel eens ’s nachts gaten maken onder het hek door ondanks de hoge stroom die op de hekken stond. Daar bleef je liever vanaf.
Een week eerder had een medewerker met zijn kont tegen de verkeerde bedrading van 10.000 volt gestaan, waardoor hij als een strijkplank voorover was gevallen. Hij kon zich minutenlang niet meer goed bewegen en had hevig schokkend op de grond gelegen. Vervolgens had hij zijn blaas geleegd en had gestonken als een dood varken. Ergens waren de goden hem gunstig gezind en hadden hem terug gestuurd.
Later hadden we met de medewerkers hard gelachen om het voorval, maar nu keek ik toch zuinig naar de hekken. Ze vormden letterlijk een obstakel om op het zandpad naar de boerderij te kunnen begeven. Het land was ongeveer tien bij tien kilometer groot en was gelegen aan de rand van het Kruger Park in Zuid-Afrika. Ik keek naar links en daarna naar rechts langs de omheining. Er was gelukkig niets te zien. De lucht trilde boven het uitgestrekte zandpad zover je kon kijken. Mijn ademhaling versnelde. Wat als dit niet ging lukken? Hoe komen we terug?
Ik had het gevoel dat ik van alles hoorde ritselen in de lage doornstruiken die voor de bomenrij stonden. Achter de bomenrij bevond zich de droge savannegrassen en de wat meer open vlaktes met hier en daar een Maroelaboom.
‘Dit gaat niet’, hijgde ik en schudde mijn hoofd.
‘Ik kap ermee’.
‘Ons moet net aangaan, daar’s geen keuse nie’, zei Dennis eigenwijs en hij ploeterde verder.
‘Te warm, dit gaat ons niet lukken Dennis. Je moet nu keuzes maken of we zijn de sjaak’.
Hij keek mij dom aan, dat woord zat blijkbaar niet in zijn vocabulaire.
De zwarte pick-up truck stond scheef met beide achterwielen ver in het zand gegraven. We hadden de domme fout gemaakt om te lang de wielen te laten spinnen in het losse zand, waardoor het ding zich volledig en onherroepelijk had ingegraven.
‘Jij is ’n man van dié grond, wat gaan ons doen?’
Ik sprak bewust hard en duidelijk aan in zijn eigen taal. Hij was de afgelopen uren als een bezetene bezig geweest. Er was geen fatsoenlijk woord met hem te wisselen. Wachtend op zijn antwoord blikte ik om mij heen en voelde mijn handen wat trillen. Mijn beenspieren voelden zwak aan.
Hij keek mij toch wat verdwaast aan en ik hoorde bijna zijn radertjes draaien. Hij zou toch iets moeten besluiten. Hij had de leiding. Na een minuut stilte stond hij plotsklaps op, hij wankelde wat. Het was duidelijk dat hij zich probeerde te herpakken.
‘Ek loop nou huis toe. Jy bly hier. Ek is binne drie uur terug met die bakkie. Bly in die voertuig. Moenie loop nie. Reg? Verstaan jy?’
‘Ja, ja, begrijp je. Ga nou maar, anders zijn we helemaal de pineut’ zei ik.
Hij schudde zijn hoofd, trok zijn met zweetvlekken bedekte Springbok petje recht en verdween wonderwel met stevige stappen en schichtig om zijn heen kijkend uit beeld. Hij was binnen no time verdwenen. Wolkjes stof verraden waar hij gelopen had. Ik pufte en nam het tafereel in mij op. Het was windstil, stofferig en de kleuren vervaagden naar geelbruin zand, vaalgroen van de doornstruiken en een aarde die al in geen maanden regen had gezien. Ik snoof. Olifantenstront. Kut, ook dat nog. Dat rook je boven alles uit; een zure muskusachtige geur. Vers. Ze poepten altijd op de zandweg, als een soort waarschuwing. Naast de nog dampende keutels zag ik voetsporen: iemand had hier gelopen met blote voeten. Vreemd. Ik keek nog een keer bezorgd om mij heen en ging voor de auto in de schaduw zitten. Ik voelde mij duizelig. Het leek me niet handig om een black-out te krijgen. Vermoeid probeerde ik mijzelf tot rust te manen en maakte een kuil om beter te kunnen zitten.
Ritselende geluiden? Of verbeelde ik mij dat. In deze situatie zag je lucht weerspiegelingen, stofwolken en als je niet uitkeek allerlei beesten die je zagen als lekker hapje. Ik zat wat angstig om me heen te kijken. Natuurlijk kon ik in de bloedhete auto gaan zitten, maar wat schoot dat op? Door alle paniek hadden we de sleutel op het contact laten staan. Lekker dit. Geen accu meer. Als je dan toch kan praten over de Wet van Murphy, dit was er één.
Een windvlaag bereikte de plek waar ik zat. Trok de wind nu aan? Dat was een vreemde gewaarwording; het was nog lang geen regenseizoen. De lucht trok nu zijn eigen plan. Bizar. Donkere wolken raasden vanuit het oosten mijn kant op. Gebiologeerd keek ik naar de veranderingen in de lucht.
Plotseling hoorde ik geraas uit de bomenrij en het beest kwam met een vaart op me af. Niet in staat te reageren keek ik met afschuw naar het grijze gevaarte. Hij denderde door alles heen en plette de boompjes en struiken alsof grassprietjes waren. Een diep dreunend gegrom raakte mij en resoneerde in mijn borstkas. Met zijn oren wijd gespreid, hoofd laag, kwam hij plotseling op een paar meter afstand tot stilstand. Met zijn voorpoten gooide het mannetje stof op. Met alles wat hij in zich had trompetteerde hij met een kort, fel een explosief geluid dat mij verdoofde.
Oh shit. Te laat en geen mogelijkheid meer om te vluchten. Alles werd stil om mij heen. Ik voelde spijt. Het beest deed een aantal stappen naar voren. Hij duwde zijn kop naar beneden en met een van zijn slagtanden prikte hij met een vaart tegen de grille van de auto. Er was geen geluid meer, alsof ik de knop op mute had gezet. De pick-up werd een paar meter achteruit gegooid door het enorme beest.
Verlamd en niet in staat enig besluit te nemen zat ik daar in het zand. Was dit het einde? De tijd veranderde. Langzaam draaide ik mijn hoofd naar links. Alles ging in slowmotion. Ik sprong omhoog, greep een tak van de grond en maakte me zo groot mogelijk. Met mijn mond wijd open schreeuwde ik de longen uit mijn lijf. En op het moment dat ik dacht dat het voorbij was zag en hoorde ik hem.
Als een baken los van plek en tijd stond hij daar. Onverzettelijk. Zijn gezicht was getekend door de tijd en het land. Zijn huid en ogen waren donker en over zijn schouder droeg hij dierenvelen. In zijn rechterhand hield hij een assegai, recht voor zich. Hij wist wat hij moest doen en leek geen angst te kennen. Hij hief zijn beide getekende armen omhoog en schreeuwde zijn waarschuwing. De olifant had zich omgedraaid en blies de oude man tegemoet. Het beest twijfelde. Vijanden kende hij niet behalve de mens. Maar dit was iets ouds en hoorde hier thuis. Dit was geen prooi, geen vijand. Bijna spijtig verdween de olifant al snuivend door de bosjes en achter de bomenrij. Weg. Leeg. Rust. Het geluid kwam langzaam terug.
Niet in staat om mijn blik af te wenden keek ik naar de oude man. Hij liep langzaam, statig maar bewust naar mijn toe. Hij zei niets met woorden, maar dat hoefde ook niet. Ik begreep hem, ik was slechts een gast in dit land. Uiteindelijk is de natuur sterker dan de mens. De Zulu-oudste had ook niets meer te bewijzen, hij was onderdeel van dit alles. Hij greep met zijn linkerhand mijn schouder stevig vast. Zijn lichaam was oud maar niet gebroken.
Iets schudde aan mijn schouder. En nog een keer.
’Meneer, meneer, word wakker. Is jy verdwaal? Het jy moeilikheid?’
Moeizaam, maar onverbiddelijk werd ik wakker. Mijn handen trilden en ik wist niet of ik moest huilen of lachen. Ik keek in de bruine ogen van een tienjarige zwarte jongen die aan mijn schouder liep te trekken. Ik moest door de warmte en de inspanning in slaap gevallen zijn.
‘Euh’, stamelde ik terwijl ik me nog tussen droom en werkelijkheid bevond. Ik sprong op, mijn hart bonsde in mijn keel en mijn spieren trilden. De jongen deinsde wat achteruit en keek afwachtend. Ik keek omhoog. Er was geen wolkje te bekennen op deze warme droge dag. Weg olifant. Weg dreigende lucht. Weg Zulu krijger. Ik schudde mijn hoofd en moest uiteindelijk glimlachen om mijn eigen fantasie. De jongen lachte terug met zijn tanden bloot.
‘My pa is hier met die bakkie. Wil jy saamry?’
Ik keek op mijn horloge, anderhalf uur verstreken sinds Dennis weg was.
‘Ja dat is goed’, zei ik terwijl ik langzaam opgelucht uitademde.
Hij draaide zich om, liep richting de bosjes en keek naar mij of ik hem wel volgde. Ik wierp nog een blik op de pick-up truck die nog even vast zat als altijd en volgde hem.
De zwarte pick-up met het logo van het park stond met draaiende motor te wachten. De chauffeur, de vader van de jongen, hing uit het raampje en ik herkende hem wel. Ik stak een hand op. Hij knikte naar mij. De acht mannen en vrouwen, dagwerkers uit de omgeving, zaten achter in de pick-up voor de terugreis. Ze keken mij zwijgend aan. Geen emotie.
‘Euh, ons het met die voertuig vasgesit. Dennis is te voet terug’ zei ik.
Voorzichtig zag ik hier en daar een glimlach. Dennis lopend terug, dat vonden ze dan wel weer grappig.
Opgelucht greep ik de uitgestoken hand van de man achterop en hij hijste me op. Ik plaatste mij in het midden van het laadgedeelte, waar ik op de grond ging zitten. De staande man achter de cabine klopte op het dak. De bestuurder knikte en gaf gas. De auto gooide het mulle zand omhoog en draaide om richting het huis van de eigenaar.
De grote man stond op van zijn bureau en met driftige stappen liep hij naar de deur. Op het moment dat hij de klink in de hand had, kwam iemand half de deur binnen vallen. Hij staarde me aan met holle ogen.
‘Jy hier?’, stamelde hij alsof hij een geest zag.
‘Ek glo dit nie’ en hij keek mij aan alsof ik uit de dood was opgestaan.
Hijgend stond Dennis daar, leunend tegen het kozijn van de deur met een bezweet gezicht, doorweekt t-shirt, zwart van stof. Het petje was niet meer herkenbaar. Magisch. Zo moest een goochelaar zich voelen en ik glimlachte.
Ik knikte en voelde een gloriemomentje aankomen.
‘Ja ik hier. ‘
Ik draaide me om naar de grote strenge man, een autoriteit die gewend was beslissingen te nemen.
‘Wat? Te voet? Is julle nou heeltemal mal geword?’
De eigenaar van het reservaat keek mij aan met ongeloof.
‘Jy kon dood gewees het!’
‘Nou, euh, je zoon bedoel ik dan’ zei ik, ‘ik niet.’
Nu was het moment dat hij helemaal verbaasd begon te kijken.
‘Wat? Net Dennis alleen?’ En hij wierp een vernietigende blik op hem. Hij stond daar nog steeds als een kleine jongen verslagen in de deuropening.
Rustig, maar duidelijk deed ik mijn verhaal. Hoofdschuddend stond hij op. Ik had maar voor de zekerheid even een uur of anderhalf gewacht op Dennis voor ik deze stap ondernam. De grote baas was nogal geen makkelijke. Dennis was helaas in geen velden of wegen te bekennen geweest. Ik had geen keus meer. Ik moest wel.
Nu keek ik Dennis aan en genoot van het moment.
Ik grijnsde en tikte tegen de zijkant van mijn slaap. Ik wachtte een moment voor de perfecte timing en voelde mij onoverwinnelijk.
‘Moenie jaag nie. Dink eers’ zei ik triomfantelijk.
De blik in zijn ogen. Al werd ik eruit getrapt. Dit was goud waard.
Ik stapte langs hem heen door de deur, keek om mij heen en snoof buiten de typisch Afrikaanse geur op. Ik hoorde ze binnen tegen elkaar schreeuwen en hoorde wat omvallen. Ik grinnikte, geweldig land toch. TIA. This is Africa.
‘Kom, seun, ek sal vir jou iets gee om te drink. Dit het jy verdien’, en ik pakte de hand van de tienjarige jongen die nog buiten stond te wachten en nieuwsgierig naar mij keek. Met stevige passen liepen we het pad op richting huis.
Het verhaal Bruine ogen is gebaseerd op een echte werksituatie in Zuid-Afrika, maar bevat ook verhalende elementen. Werkelijkheid en verbeelding lopen bewust door elkaar heen. Juist die grens maakt het verhaal intens en laat zien hoe hitte, uitputting en omgeving je waarneming kunnen beïnvloeden.
“Moenie jaag nie. Dink eers” is Afrikaans en betekent: niet haasten, eerst nadenken. In het verhaal fungeert de zin als een terugkerend motief. Het staat symbool voor het verschil tussen handelen op instinct en bewust keuzes maken, vooral in een omgeving waar fouten directe gevolgen hebben.
Het verhaal speelt zich af in een afgelegen gebied in Zuid-Afrika, aan de rand van een groot wildreservaat. De exacte locatie is ondergeschikt aan de setting: hitte, savanne, zandwegen en de nabijheid van wilde dieren vormen het decor waarin het verhaal zich ontvouwt.